Een visie kan inspireren. Maar zonder beslishelderheid is het vaak niet meer dan een mooi verhaal en eerder zelfs een rem op vooruitgang.
Een visie wordt graag gezien als het definitieve – zo niet beslissende – startpunt voor verandering. Er worden heel wat hie-sessie aan besteed om een visie goed te verwoorden. Maar in de praktijk schiet een visie, hoe briljant ook verwoord, vaak tekort omdat die als het op de uitvoering aankomt alsnog te vaag is omschreven. Soms wordt vaag als veilig gezien, Maar het is riskant om te denken dat zolang die visie vaag genoeg blijft en losstaat van echte beslissingen die toch richtinggevend kan zijn. Erger nog is het wanneer zo’n visie als in steen gebeiteld wordt gezien en de organisatie verkrampt, waarmee die een beperking wordt op de vooruitgang die een visie juist hoopt bewerkstelligen.
Helmut Schmidt vatte die scepsis al ooit messcherp samen: “Wer Visionen hat, sollte zum Arzt gehen” (“Wie visioenen heeft, moet naar de dokter”). Ook Mark Rutte waarschuwde in vergelijkbare termen dat een visie kan blokkeren in plaats van verhelderen: “als een olifant die het zicht blokkeert”. In de kern wijzen deze vermaningen naar hetzelfde gevaar: een levendig ingebeelde toekomst kan verharden tot schijnzekerheid en beslissingen dwingend gaan sturen vóór we goed en wel weten of die toekomst überhaupt realistisch is.
Maar is het omgekeerde ook waar. Besluitvorming zonder heldere visie ontaardt al snel in een eindeloze reeks “pivots”, waar gebrek aan richting, een duidelijke koers voorwaarts, zich vermomt als pragmatisme. Dan wordt elke stap verdedigbaar, maar is niets nog betekenisvol: waar stuur je naartoe als het onduidelijk is welke toekomst je eigenlijk dient?
De echte uitdaging in corporate innovatie zit precies in die spanning: hoe vertaal je toekomstdenken naar beslissingen die vandaag genomen moeten worden—onder onzekerheid?
- Wanneer visie botst met technologische realiteit (een praktijkverhaal)
In mijn werk als innovatieconsultant zag ik hoe snel een gedurfde visie kan wankelen wanneer de beslissingen die haar moeten dragen niet expliciet zijn.
Een innovatieteam vertrok vanuit een ambitieus idee: een getokeniseerd distributieplatform bouwen dat nieuwe businessmodellen en bredere ecosysteemparticipatie mogelijk zou maken. De start was veelbelovend:
- een interne businessunit stapte in als launching customer met een solide businesscase
- een technologiepartner bood een geavanceerd DLT-platform dat structureel concurrentievoordeel beloofde
De aanpak was gefaseerd. Fase 1 digitaliseerde het end-to-end proces voor de interne klant (contractafhandeling stroomlijnen, doorlooptijd verkorten). Dat was een bewuste opstap naar fase 2: een gedeeld multi-party transactieplatform waarop meerdere financiële instellingen konden aansluiten—met potentiële netwerkeffecten en nieuwe proposities.
Op papier had fase 1 ook met een conventionele API-oplossing gekund. In de praktijk zat het verschil niet in “of het werkt”, maar in wat je later nog kán.
Een API-route zou een zware datalaag vragen (governance, standaardisatie, integratie tussen partijen). En vooral: zodra je die route kiest, wordt het later veel moeilijker om alsnog door te groeien naar een getokeniseerd multi-party platform. Architectuurkeuzes zijn niet neutraal; ze sluiten opties af.
Vanuit het perspectief van fase 2 was DLT daarom geen implementatie-detail, maar een strategische keuze: het openhouden van de beoogde ontwerp-ruimte.
Het kantelpunt: een ‘pragmatische’ keuze die de toekomst afsluit
Toen trok de technologiepartner onverwacht de nieuwste platformversie terug wegens tegenvallende marktadoptie. Wat strategisch leek, werd ineens onzeker.
De reactie was voorspelbaar: besluitvormers kozen voor de veilige, standaarden-conforme API-oplossing. Die paste bij bestaande governance- en kostendoelen en leverde nog steeds een robuuste businesscase voor fase 1.
Maar die keuze had een prijs:
- toekomstig schaalvoordeel en geloofwaardige netwerkeffecten werden veel minder waarschijnlijk
- externe partijen hadden weinig incentive om aan te haken
- het venster om leiderschap (of zelfs fast-follower status) te claimen sloot
- en belangrijker: de platformthese kon niet meer realistisch getest worden
De visie werd niet “weerlegd”. Ze werd simpelweg onmogelijk gemaakt.
De les achteraf: wat er ontbrak was geen ambitie, maar een besliskader
Achteraf leek het alsof de organisatie de visie niet serieus nam. In werkelijkheid ontbrak iets anders: een expliciet besliskader voor het moment waarop onomkeerbare keuzes moesten worden gemaakt.
De keuze tussen API en DLT werd behandeld als implementatiekwestie. Maar voor de propositie als geheel was het een strategische beslissing met langetermijnimpact op:
- schaalbaarheid
- ecosysteempositionering
- ontwerpvrijheid
Mijn eigen rol speelt hier ook mee. Ik heb onvoldoende expliciet gemaakt dat de DLT-keuze niet ging over “succes garanderen in fase 1”, maar over de optie-waarde: het behouden van de mogelijkheid om fase 1 te laten evolueren naar een getokeniseerd multi-party platform.
Die optie-waarde had je moeten:
- articuleren (welke toekomst dient dit?)
- beprijzen (welke extra kosten accepteren we?)
- en koppelen aan timing (hoe lang staat dit venster open?)
Van visie naar beslishelderheid: vier vragen die je móét beantwoorden
Visie hoeft niet te falen. Maar dan moet je expliciet maken welke beslissingen vandaag de toekomst van morgen openhouden.
Vier vragen helpen om visie te vertalen naar beslishelderheid:
- Welke toekomstige uitkomst dient deze optie?
- Hoe lang blijft het beslisvenster open?
- Welke triggers rechtvaardigen opschalen (of stoppen)?
- Welke kosten zijn acceptabel om de optie levend te houden?
Als je deze vragen niet beantwoordt, wordt visie óf een illusie (te vaag om richting te geven), óf een blauwdruk (te rigide om met realiteit mee te bewegen).
Beslishelderheid voorkomt beide. Zonder beslishelderheid leidt visie innovatie niet; ze verdampt stilletjes bij de eerste echte ontmoeting met onzekerheid.







